English
Home Sitemap Search Contact

De idealen van Stork: sociale voorzieningen

Een volgend levensideaal voor C.T. Stork was de opbouw van een pakket sociale voorzieningen. Als overtuigd liberaal vond hij de zorg voor de arbeiders geen taak voor de overheid. In zijn beginjaren als textielfabrikant kon bij hem de ene wever vier maal zoveel verdienen als de andere omdat hij vond dat het de prestatie was die telde. Later ging hij daar genuanceerder over denken. Zelf omschreef hij zijn behoefte om goed te doen als 'een aangeboren gevoel'. Blijkens een brief aan zijn vrouw voelde hij zich verplicht om 'die aandrift door de rede bestuurd te volgen'. Naar eigen zeggen haalde hij zijn eerste inspiratie uit een Franse roman (waarvan hij de titel vergeten was) over een rechtschapen machinefabrikant bij wie elke arbeider in de gelegenheid werd gesteld zich te ontwikkelen en zij die de meeste ijver, wilskracht en geduld ten toon spreidden, konden opklimmen tot de hoogste rangen.

Door zijn mensen goed te behandelen werd de fabrikant uit die Franse roman er zelf ook niet slechter van en daar spiegelde Stork zich aan. Zijn grote inspirator was Jaques van Marken van de Nederlandse Gist- & Spiritusfabriek te Delft die hij leerde kennen toen deze bij hem machines bestelde. Zijn grootste drijfveer om goed te doen was echter zijn protestants-christelijke geloofsovertuiging van waaruit hij als een machine in Gods handen een goed rentmeester van zijn bezittingen en een vader voor zijn arbeiders wilde zijn. 


 

Bedrijfsongevallen

Kenmerkend voor het sociale stelsel van Stork & Co was het uiterst gecompliceerde karakter. Charles en zijn in 1872 bij de zaak gekomen zoon Dirk waren vrijwel de enigen die er iets van begrepen. Alleen het principe was duidelijk: per voorziening werden bedragen van het loon afgehouden, volgens vader en zoon voor ieders bestwil. Dat gold ook voor de in 1887 ingestelde verzekering tegen bedrijfsongevallen. Oogkwetsuren en blindheid deden zich nogal eens voor door wegspringende metaaldeeltjes. Ketelmakers raakten doof bij het slaan van klinknagels in holle ketels. Het inademen van deeltjes vochtig zand, gebruikt bij het metaalgieten, veroorzaakte ingewandsziekten.

Indien bedrijfsongevallen niet het gevolg van eigen schuld waren, kregen arbeiders het volle basisloon uitbetaald tot uiterlijk een jaar na het ongeval. Bij blijvende invaliditeit kreeg men vijftig tot honderdmaal een dagloon en bij dodelijke bedrijfsongevallen bedroeg de uitkering zeshonderd maal het loon. 


 

Pensioenfonds

Pas toen de resultaten van de machinefabriek stegen (na 1880) kon Charles Stork meer werk maken van zijn sociale idealen. Zijn eerste schepping was de Vereeniging tot behartiging van de belangen van het personeel verbonden aan de machinefabriek Gebr. Stork & Co., met successievelijk daaraan verbonden instellingen als een coöperatie voor de inkoop van levensmiddelen, een doktersfonds, een weduwenfonds en een pensioenfonds.

De meeste instellingen werden gefinancierd door contributies van leden van de vereniging en door bijdragen van het bedrijf. Sociale rechten moesten volgens Stork niet het karakter krijgen van een aalmoes. Het pensioenfonds keerde een bedrag uit waarmee de gepensioneerde het moest doen, hoe oud hij ook werd. Vanaf 1907 kregen de werknemers een gegarandeerd pensioen van zestig procent van het basisloon. 


 

Overleg

In 1883 kreeg de machinefabriek in navolging van Van Marken en de Fransman Leclaire een ondernemingsraad, onder de naam Kern, met deels gekozen en deels door de directie benoemde leden. Zaken van overleg waren schafttijden, nachtwerk, overwerk, zondagsarbeid en allerhande sociale instellingen.

Bij Stork functioneerde het overleg beter dan bij Van Marken omdat de heren Stork toegeeflijker en minder bevoogdend waren. Voorzitter Dirk, de tactvolle zoon van Charles, hield rekening met wensen die in de Kern naar voren kwamen. Arbeidsconflicten deden zich bij Stork niet eerder voor dan in 1919.

 

Personeelsblad

Eveneens in navolging van Van Marken gaf Stork vanaf 1892 een personeelsblad uit, de Hengelosche Fabrieksbode. Coenraad Frederik, de jongste zoon van Charles, voerde de hoofdredactie en schreef tientallen jaren wekelijkse hoofdartikelen onder het motto 'Allen voor elkaar, geen strijd maar samenwerking'.

 

Verenigingsgebouw

Muziekvereniging Armonia, toneelvereniging Thalia, Stork's Mannenkoor, gymnastiekvereniging Hercules, een bibliotheek, een bewaarschool en een gaarkeuken kregen onderdak in het 'Vereenigingsgebouw' dat Stork ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de onderneming aan het personeel schonk en dat ook openstond voor de gehele bevolking van Hengelo. Lezingen van directieleden over reisindrukken en schilderkunst trokken soms tweehonderd toehoorders. Politieke bijeenkomsten waren er verboden, omdat Charles een afkeer had van het politieke bedrijf. Als lid van de Eerste Kamer - tot zijn zeventigste jaar - oefende hij liever invloed uit achter de schermen dan vanaf de katheder, ook omdat hij geen groot spreker was.

Herhaaldelijk riep de ouder wordende Stork zijn tijdgenoten op meer over de grenzen te kijken. In 1872 moest hij in de Eerste kamer nog steeds herhalen: "Behalve in onze Oostindische bezittingen zijn er geen Nederlanders in Azië of Amerika. Overal vindt men Duitsers, Zwitsers of Engelsen. Dat kan anders worden en dat moet anders. Het betere onderwijs, dat meer en meer tot alle lagen der maatschappij doordringt, zal ons bruikbare jongelui leveren. Handelaren en fabrikanten moeten zorgen voor opleiding in de fabriek en op het kantoor en daarna voor filiaalkantoren in Oost en West". Ter bevordering van zijn eigen export stuurde hij zijn zwager H.J. Ekker naar het Verre Oosten. Persoonlijk was hij steeds als standhouder aanwezig op internationale nijverheidstentoonstellingen.

 

 

 

 

 


Arbeiders verzamelen zich voor de fotograaf.
Hun voorzieningen waren relatief goed door de vooruitziende blik van Charles Stork.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Ketelmakers raakten doof bij het slaan van klinknagels in holle ketels.